Ook onze katten kunnen tal van hartaandoeningen hebben of krijgen. Het voert veel te ver om alle mogelijke hartaandoeningen bij katten te bespreken. Daarom zullen alleen de meest frequent voorkomende verkregen hartaandoeningen worden beschreven.
Hartaandoeningen bij onze huisdieren worden veelal pas onderkend als ze lijden tot hartfalen, dat wil zeggen dat het hart signalen van ‘opgeven’ afgeeft, zoals snel moe zijn, hoesten, lusteloosheid, flauw vallen, blauwe tong, dikke buik als er ten gevolge van leverstuwing vochtophoping plaats vindt.

Cardiomyopathie (Hartspierlijden)
Dit is de meest voorkomende hartaandoening bij de kat.
Deze aandoening betreft een verandering in ongunstige zin van de hartspier zelf, waardoor de samentrekkingskracht steeds verder afneemt, de hartspier uit gaat lubberen en dus de pompfunctie steeds zwakker wordt. Dit is de congestieve cardiomyopathie. Bij de kat onderscheiden we zelfs twee vormen van deze aandoening: de groep waarbij de hartspier in dikte afneemt en de groep waarbij de hartspierdikte in omvang toeneemt.

Overige aandoeningen
Deze grote restgroep omvat onder anderekleplekkages, boezemfibrilleren (niet meer ritmisch samentrekken van de boezems waardoor de kamer onvolledig worden gevuld), hartritmestoornissen van diverse aard en hartfalen door langdurige overbelasting bijvoorbeeld door lichaamsslagader- of longslagaderstenose: een veelal aangeboren vernauwing in deze grote vaten vlak na hun ontspringen uit het hart. Deze stenoses kunnen bij het vorderen van de leeftijd ernstiger vernauwingen veroorzaken. Verder aandoeningen van het hartezakje en gezwellen in of in de direkte omgeving van het hart. In de zuidelijke landen komt een spoelwormsoort voor die zich in het hart nestelt (hartworm) en ook voor ernstige hartklachten kan zorgen.
Regelmatige controle en gericht onderzoek kan veel van de voorkomende aandoeningen aan het licht brengen en ook vaak nog redelijk tot goed behandelen. Een goed klinisch onderzoek (bijvoorbeeld bij de jaarlijkse enting) kan veel leed besparen door tijdig onderkennen dat het huisdier een hartprobleem heeft. In veel gevallen zal aanvullend onderzoek (ECG, echografie, röntgenfoto’s en/of bloedonderzoek) nodig zijn om de optimale behandeling vast te stellen.