Ook onze honden kunnen tal van hartaandoeningen hebben of krijgen. Het voert echter te ver om alle mogelijke hartaandoeningen bij de verschillende hondenrassen (en bastaards!) te bespreken. De aangeboren hartafwijkingen laten we hier buiten beschouwing. Alleen de meest frequent voorkomende verkregen hartaandoeningen zullen worden beschreven.

Hartaandoeningen worden veelal pas onderkend als ze lijden tot hartfalen, dat wil zeggen dat het hart signalen van ‘opgeven’ afgeeft, zoals snel moe zijn, hoesten, lusteloosheid, flauw vallen, blauwe tong, dikke buik als er ten gevolge van leverstuwing vochtophoping plaats vindt.

Kleplekkage

Deze slijtage zien we regelmatig bij honden, meestal kleinere rassen of kruisingen daarvan en op oudere leeftijd. Speciale vermelding voor de Cavalier King Charles Spaniel, die deze aandoening al op relatief jonge leeftijd kan ontwikkelen. In de meeste gevallen is de ernstige slijtage aan de kleppen tussen linker boezem en linker kamer. Door een reeks van aanpassingen en compensatiemechanismen gaat uiteindelijk de bloeddruk omhoog, ontstaat er longstuwing (‘vocht achter de longen’) en krijgt het dier te maken met een verminderde hoeveelheid zuurstof in zijn bloed. Meest voorkomende klachten hierbij zijn: snel moe, met name ’s nachts en bij inspanning hoesten en soms flauw vallen.

Cardiomyopathie (Hartspierlijden)

Deze aandoening betreft een verandering in ongunstige zin van de hartspier zelf, waardoor de samentrekkingskracht steeds verder afneemt en dus de pompfunctie zwakker wordt. Deze aandoening wordt vooral bij reuzenrassen (Wolfshonden, Mastiffs, Doggen) gezien, maar ook andere honden kunnen deze aandoening oplopen (Dobermann Pincher!). Vaak is er sprake van snel moe zijn, hoesten en/of dikkere buik, zuchtvorming, eetlustgebrek en lusteloosheid.

Overige aandoeningen

Deze grote restgroep omvat onder andere boezem-fibrilleren ofwel atriumfibrillatie (niet meer ritmisch samentrekken van de boezems waardoor de kamer onvolledig worden gevuld), hartritmestoornissen van diverse aard en hartfalen door langdurige overbelasting; voorbeelden hiervan zijn de lichaamsslagader- of longslagaderstenose: een veelal aangeboren vernauwing in deze grote vaten vlak na hun ontspringen uit het hart. Deze stenoses kunnen bij het vorderen van de leeftijd ernstiger vernauwingen veroorzaken.
Verder bestaan er aandoeningen van het hartzakje en gezwellen in of in de directe omgeving van het hart. Vooral in de zuidelijke landen komt een spoelwormsoort voor die zich onder anderen in het hart nestelt (hartworm) en ook voor ernstige hartklachten kan zorgen. Sinds kort dienen we ook rekening te houden met de ‘kleine hartworm’ die oprukt vanuit Denemarken en Duitsland.

Regelmatige controle en gericht onderzoek kan veel van de voorkomende aandoeningen aan het licht brengen en ook vaak nog redelijk tot goed behandelen. Een goed klinisch onderzoek (bijvoorbeeld bij de jaarlijkse enting) kan veel leed besparen door tijdig onderkennen dat het huisdier een hartprobleem heeft. In veel gevallen zal aanvullend onderzoek (ECG, echografie, röntgenfoto’s en/of bloedonderzoek) nodig zijn om de optimale behandeling vast te stellen.